Subsidie voor schrijvers niet langer inkomensvoorziening

Het Nederlands Letterenfonds is in 2010 ontstaan uit een fusie tussen de Stichting Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds. De centrale doelstelling van het Nederlands Letterenfonds is ‘het bevorderen van de kwaliteit en diversiteit van de Nederlands- en Friestalige letteren, en literatuur in Nederlandse of Friese vertaling’. Deze doelstelling komt bijna letterlijk overeen met de doelstellingen van de Stichting Fonds voor de Letteren en is sinds de oprichting in 1965 ongewijzigd gebleven. Ondanks de ongewijzigde doelstellingen, zijn de subsidiemogelijkheden voor literaire schrijvers en vertalers sinds de oprichting van het fonds juist structureel beperkt en uitgekleed.

door Marieke van Kemenade

In 2011 stond het kabinet voor een omslag in het cultuurbeleid. In een kamerstuk uit datzelfde jaar leest men waarom: ‘Een omslag is nodig omdat onze samenleving is veranderd en het cultuurbeleid daar niet langer mee in de pas loopt.’ Het vernieuwde cultuurbeleid is erop gericht dat de culturele sector zelfstandiger wordt. In het vernieuwde cultuurbeleid wordt daarom de nadruk gelegd op het zelf verwerven van inkomsten door schrijvers, uitgevers, vertalers en anderen uit het culturele veld. De rol van de overheid is veranderd: meer initiërend, minder financierend.

Het onafhankelijke maar volledig door de overheid gefinancierde Nederlands Letterenfonds mag van de overheid geen subsidies verstrekken die het karakter van een inkomensvoorziening hebben. Dit was in de jaren vanaf de oprichting tot en met het eerste decennium van deze eeuw wel anders.

Hoe het begon

In 1965 werd de Stichting Fonds voor de Letteren opgericht. Het fonds en haar doelstellingen was wereldwijd uniek in haar soort. De oprichting werd geïnitieerd door schrijversacties, waarbij de grootste schrijversorganisatie van Nederland, de Vereniging van Letterkundigen, voortrekker was in de strijd voor betere economische voorzieningen voor literaire schrijvers. De schrijvers wilden als vaklieden beschouwd worden en probeerden hun eigen financiële positie garanderen en te verbeteren. 

Het Fonds bood schrijvers en vertalers een zelfstandig bestaan en betekende een grote stap in de emancipatie van de schrijvers. Het ging hierbij niet om een sociale vorm van ondersteuning, zoals bij de bijstand of de (inmiddels afgeschafte) Beeldende Kunst Regeling, maar om de mogelijkheid voor de schrijvers om zich, zonder noodzakelijke nevenarbeid, volledig op het schrijven te richten.

 Hoe het ging

Schrijvers kenden toppen en dalen in hun inkomsten, konden over het algemeen geen hypotheek afsluiten, bouwden geen pensioen op en verkeerden ieder jaar in onzekerheid omdat de subsidies van het fonds per jaar wel of niet werden toegekend. Toch zijn er minstens drie generaties (gerekend vanaf 1965) die zich door het Fonds volledig op het schrijverschap konden richten, omdat zij een vorm van inkomen of een aanvulling daarop ontvingen. 

Wanneer er van een schrijver twee publicaties bij een erkende uitgeverij werden uitgegeven, kon hij een aanvraag bij het Fonds indienen. Ook was er de mogelijkheid voor een schrijver om gebruik te maken van het ‘continueringsbeginsel’, waarmee ‘gelijkblijvende kwaliteit en redelijke productie’, een subsidie van een tot drie jaar aangevraagd kon worden. Maar er was meer waar een schrijver aanspraak op kon maken: schrijversstipendia werden toegekend voor een maand tot een semester. Schrijvers die literaire vertalingen maakten, konden een beurs voor het vertalen aanvragen. Bovendien kwam er een regeling die per boek of vertaling een ‘aanvullend honorarium’ uitkeerde. Dit honorarium was gebaseerd op het aantal worden en stond garant voor een flinke aanvulling op het inkomen. Tot slot kregen enkele oudere schrijvers jaarlijks ‘eregeld’: een extra bijdrage van het fonds voor hun oude dag.

Hoe het nu gaat

Inmiddels is het voor gevestigde en/ of oudere schrijvers aanzienlijk lastiger om via het Fonds een subsidie aan te vragen. Niet alleen het continueringsbeginsel is afgeschaft, schrijvers worden ook afgerekend per afzonderlijk product, in plaats van op hun oeuvre. Subsidie kan dus enkel nog worden aangevraagd als projectsubsidie voor een bepaalde periode en mag op geen enkele manier ‘het karakter van een inkomensvoorziening’ hebben. Dit heeft geresulteerd in de afschaffing van de extraatjes, zoals de ‘aanvullende honoraria’ en de ‘eregelden’.

Een fonds dat was opgericht om schrijvers en vertalers een zelfstandig bestaan te bieden, voorziet nu enkel in projectsubsidies, waarbij een zorgvuldig opgebouwd oeuvre niet langer ingezet kan worden als overtuigend argument om in aanmerking te komen voor een subsidie. Wat er dan overblijft voor een schrijver of vertaler? Hopen op hoge verkoopcijfers en de bijbehorende inkomsten. Hopen op een prijs, die naast prijzengeld over het algemeen een stijging van de boekverkoop en dus meer inkomsten oplevert. En hopen dat de overheid de AOW in stand houdt, want een andere vorm van pensioen is er voor schrijvers niet.

Recent Related Posts

Reacties zijn gesloten.